Artisjok

Artisjokken zijn overblijvende planten, waarvan de verrukkelijke, vlezige schutblaadjes van de bloemknoppen gegeten worden. De bloemknoppen vormen ook een fraaie decoratie in droogboeketten.

Zaaien

in maart-april onder glas, of in mei buiten op en zaaibed. De planten zijn zeer koudegevoelig, daarom verdient de opkweek onder glas de voorkeur. Na opkomst iedere plant apart in een flinke pot oppotten. Afwijkende planten wegdoen. Laat de planten in april afharden (aan de buitenlucht wennen) en plant ze in mei uit.

Verzorging

Het worden flinke planten, plantafstand 100 x 75 cm in humeuze zanderige grond die niet te lang nat blijft. Mest zorgt voor minder maar wel mooiere bloemen.

Oogst

in augustus/september kunt u de gevormde, nog gesloten bloemknoppen regelmatig oogsten.

Overwintering

in de late herfst de uitgebloeide bloemstengels wegsnijden, het onderste blad laten zitten en samenbinden en het geheel met stro en plastic afgedekt laten overwinteren.


Betreffende teelt en gebruik neemt de artisjok een bijzondere plaats in. Strikt genomen behoort ze niet tot de overblijvende groenteplanten. De artisjok is in ons klimaat niet winterhard. Soms wordt de artisjok dan ook aangeplant in de sierteeltborder. Deze distelachtige plant voelt zich zowel in de border als in de groentetuin thuis: niet alleen draagt de plant grote bloemkoppen, maar de zilvergrijze, diep ingesneden bladeren vormen ook een fantastische achtergrond voor kleurrijkere planten. Deze grote groenteplant vraagt heel wat ruimte, een tweede reden waarom de achterzijde van de kruidenborder een geschiktere plaats is dan een vast plekje in de groentetuin.
Oogst

Vóór de bloei snijdt men de bloeiwijze met een gedeelte van de stengel af, nog vóór de kleur der bloemblaadjes zichtbaar is, daar de gezamenlijke bloemhoofdjes de ‘vruchten’ zijn. De vlezige, kruidige bloembodem is eetbaar, alsmede de saprijke gedeelten van de omwindselblaadjes of ‘schubben’, waardoor voor een groot deel de bloembodem gevormd wordt.

Begin altijd met de grootste koppen, die aan de uiteinden van de hoofdstengels zitten. Snijd de bloemkoppen samen met de toppen van de stengels af als ze nog groen zijn en voordat ze opengaan. De eetbare delen zijn de vlezige, gebogen segmenten aan de voet van de schubben en de basis van de bloem, die ‘hart’ genoemd wordt. Dit hart wordt blootgelegd als het harige gedeelte wordt verwijderd dat zich in de bloemkop bevindt.

Na de verwijdering van de kop wordt elke stengel tot de helft teruggesneden. Stimuleer verdere ontwikkeling van bloemen door om de twee weken vloeibare mest toe te dienen, gedurende een periode van enkele maanden na het snijden van de eerste bloemkoppen. Naarmate de gesteldheid van de grond beter is, zullen de ‘vruchten’ vaster gevormd, groter en malser zijn.

Vermeerdering

De normale (en beste) manier om te beginnen is met wortelstekken (uitlopers met wortels), die bij veel kwekerijen en tuincentra te krijgen zijn. Een tweede manier is het gebruik van zaad. Zaaien is goedkoper, maar geeft wisselvallige resultaten. Als planten uit zaden slechte resultaten opleveren, moet u wortelstekken van de beste planten nemen en opnieuw beginnen. Aan elke plant krijgt u zes bloemkoppen.

Vruchtbare, goed afwaterende grond is een voorwaarde voor de produktie van voldoende bloemkoppen. Kleffe klei is pas geschikt als de grond met ruime hoeveelheden organisch materiaal verbeterd is. De beste standplaats is een zonnige, beschutte plek. De grond moet diep los, vochthoudend en vooral rijkelijk van mest voorzien zijn. In minder goede bodem kan men ook plantgaten graven van een halve meter diep en breed en deze gedeeltelijk met klare compost vullen. Een luchtige, warme plaats is een vereiste. Zaailingen lijken niet altijd op de moederplant. De voortkweking geschiedt het best door scheuring of door gewortelde uitlopers. Bij vroegtijdige zaaiing heeft men reeds in de nazomer vrucht.

Men zaait in maart of begin april onder glas of desnoods binnenshuis in potten. Een temperatuur van meer dan 20°C is vereist. De planten worden in kleine potten opgekweekt, afgehard en half mei met kluit ter plaatse uitgeplant. Bij vroeger buitenbrengen is het nodig dat tegen nachtvorst met omgekeerde bloempotten gedekt wordt. In begin mei kan ook wel in de vrije grond gezaaid worden, maar de planten leveren dan in hetzelfde jaar niets op. Van de zaailingen zijn de beste, die gedrongen van groei zijn en de minste stekels hebben. De plantwijdte moet 80 cm à 1 meter zijn. Tussen jonge planten kan men een vroege groente, bijv. spinazie telen. Op droge grond is het nodig af en toe in ruime mate te gieten.

Wortelstekken neemt u in het voor- of late najaar. Schraap eerst wat aarde van de voet van de plant en snijd vervolgens vlak langs sterke scheuten omlaag om ze van de wortelstok te scheiden: zorg ervoor dat elke scheut een stukje wortel heeft. Een groot, scherp mes is hiervoor het meest geschikt. Na het afsnijden van de scheuten kunt u de rest van de plant weggooien. Wortelstekken van het voorjaar moeten meteen uitgeplant worden. Stekken van het late najaar overwinteren in potten in een lage kas en worden pas het volgende voorjaar uitgeplant. Omdat de planten van knolartisjokken na drie of vier jaar het beste gehad hebben, is het een goed idee ongeveer een derde ieder jaar te vervangen. Zet in het voorjaar de wortelstekken 75-90 cm aan alle kanten uit elkaar, op dezelfde diepte als tevoren. Het grondmerk is makkelijk te zien. Gebruik een schepje voor het planten en druk de aarde naderhand met de voet aan. Geef de planten goed water en zorg ervoor dat de grond vochtig blijft terwijl de wortelstekken nieuwe wortels maken.

Bij droog weer kunnen de planten slap gaan hangen en niet verder groeien. Knip daarom, direct na het planten, het buitenste kwart van elk blad om het vochtverlies te verminderen. Een omgevouwen krant kan tijdelijk voor wat schaduw zorgen; u kunt ook een open tunnel over elke plant zetten en het glas met witkalk besproeien.

Overwintering

Zodra strenge vorst dreigt, moeten de planten, nadat de stengels tot dicht bij de grond afgesneden zijn, voldoende gedekt worden. Dit moet met zorg geschieden, daar te veel dekmateriaal, door gebrek aan lucht, rotting te weeg brengt. Het gevaar van verrotten is minstens zo groot als dat van bevriezen. Het aanwenden van turfstrooisel geeft de beste uitkomst, daar dit de eigenschap heeft om het vocht op te zuigen en vast te houden. Men kan over elke plant een omgekeerde mand zetten of draadnet leggen en deze met een dikke laag turfstrooisel of lange mest rondom bedekken. Als de felle kou geweken is, geeft men de planten weer wat lucht door het dekmateriaal voor een deel weg te nemen, opdat de harten droger worden. Wees er op bedacht, dat herhaling van streng winterweer opnieuw flinke bedekking nodig maakt. In het voorjaar moet men de planten tijdig ontbloten en ze van de zijspruiten op 2 of 3 na ontdoen. De met wortels van de moederplant afgenomen zijscheuten zijn geschikt voor de vermeerdering. Om meer zeker te zijn, dat artisjokplanten de winter goed door komen, behoren ze in het najaar uit de grond genomen en in een luchtige kelder of schuur ingekuild te worden, zo nodig gedekt tegen vorst. Half maart of begin april kan men ze dan weer op de bestemde plaats uitplanten. Een andere maatregel, meer geschikt voor koude tuinen op het noorden, is de verwijdering van een aantal wortelstekken, die `s winters in potten van 15 cm in een koude kas opgekweekt worden. Deze stekken dienen als vervangers als de oudere planten de kou niet overleven. Ze kunnen wel meer dan vijf jaar vrucht dragen, zonder dat ze door jonge planten vervangen behoeven te worden. De onderste bladeren mag men nimmer aftrekken, daar dit rotte plekken veroorzaakt.

Overzicht van de verschillende groeijaren

  • Jaar 1 Beperk het aantal bloemkoppen zodra ze verschijnen om de volgende twee jaar grotere koppen te krijgen.
  • Jaar 2 Beperk elke plant tot vier à zes stengels waaraan bloemkoppen ontstaan. Knijp kleinere koppen uit de zijscheuten. Oogst de bloemkoppen.
  • Jaar 3 Oogst vier à zes bloemkoppen per plant. Verwijder andere koppen.
  • Jaar 4 de artisjokken ebben nu het beste gehad. Neem in voor- of laat najaar wortelstekken van de planten. Probeer op deze manier elk jaar een derde van uw planten te vervangen.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *